Het grote verschil tussen een tijdelijk of vast contract is uiteraard dat een tijdelijk contract (meestal) vanzelf eindigt en dat de werkgever bij een vaste aanstelling ontslag moet aanvragen. (zie ook ontslag). Ook kan de proeftijd bij een tijdelijk contract korter zijn.
Op 1 januari 1999 is de nieuwe Wet Flexibiliteit
en Zekerheid ingevoerd (flexwet). Door de invoering van deze wet hoeft een
werkgever minder snel een ontslagvergunning aan te vragen bij tijdelijke
contracten.
Tijdelijke contracten die na 1 januari 1999 zijn afgesloten, vallen onder het
‘ketensysteem'.
Dat houdt in dat je in vaste dienst komt als je meer dan drie tijdelijke contracten hebt gehad. Krijg je een vierde contract, dan zegt de wet dat je vanaf dat moment op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkt. Het maakt niet uit hoe lang het eerste, tweede en derde contract duurde. Vanaf het vierde contract ben je in vaste dienst.
Je komt ook automatisch in vaste dienst vanaf het
moment dat je langer dan drie jaar (bijvoorbeeld via één tijdelijk contract)
bij je werkgever hebt gewerkt.
Hier zijn twee uitzonderingen op: een tijdelijk contract van drie jaar mag
eenmalig verlengd worden met drie maanden. Bijvoorbeeld in verband met uitloop
van een project of iets dergelijks.
En als je eerste tijdelijke contract bij een werkgever vier jaar duurt,
dan kom je pas bij een eventueel volgend contract in vaste dienst.
De tijdelijke contracten hoeven niet aansluitend te zijn. Er mag een periode tussen zitten waarin je niet werkt of voor een andere werkgever hebt gewerkt. Die onderbreking mag niet langer zijn dan drie maanden. Die contracten horen bij elkaar als ‘schakel' in een ketting. Werk je langer dan drie maanden niet voor je werkgever, dan begin je opnieuw aan je ‘eerste' contract.
Als je in het verleden al vaker een tijdelijk contract hebt gehad, ben je op 1 januari 1999 niet met een ‘blanco' verleden begonnen. Waarschijnlijk val je onder het ‘overgangsrecht'. Dat houdt in dat tijdelijke contracten vanaf 1 januari 1996 meetellen in het ketensysteem. Tijdelijke contracten bij één werkgever, met onderbrekingen van maximaal drie maanden tellen mee.
Voorbeeld 1:
Je hebt op 1 juli 1997 een tijdelijk contract voor een half jaar gekregen. Na
afloop van dat contract heb je op 1 maart 1998 bij dezelfde werkgever weer een
halfjaarcontract gekregen. Na afloop daarvan begin je twee maanden later (1
november 1998) aan je derde tijdelijke contract voor een half jaar bij dezelfde
werkgever. Dit contract loopt af op 1 mei 1999. Krijg je binnen drie maanden
daarna weer een contract bij die werkgever, dan is dat je vierde en daardoor een
vast contract.
Voorbeeld 2:
Je hebt op 1 maart 1996 een contract voor twee jaar gekregen. Twee maanden na
afloop van dat contract (1 mei 1998) begin je weer bij dezelfde werkgever. Nu
met een contract voor 1 jaar, dat dus afloopt op 1 mei 1999. Op 1 maart 1999
verandert je tijdelijke contract in een vast contract. Je hebt op dat moment
namelijk meer dan drie jaar bij één werkgever gewerkt (inclusief het contract
uit 1996 en de onderbreking van twee maanden).
In sommige CAO's kunnen afwijkende bepalingen staan. Bijvoorbeeld dat een tijdelijk contract alleen in bepaalde situaties mag. Vanwege een project of de vervanging van een zieke collega. In de CAO kan ook staan dat een tijdelijk contract niet langer dan een bepaalde periode mag duren, bijvoorbeeld maximaal een jaar. Een minimumduur wordt meestal niet vermeld. Ook is het mogelijk om in een CAO af te spreken dat niet het vierde maar het pas het zesde contract een vast contract is. Of dat je niet na drie jaar bij een werkgever in vaste dienst komt, maar pas na vier jaar.